(12) Het geheugen van Betje Wolff

Soms wordt het geluk je in de schoot geworpen. Werk je aan het begrip ‘zotten’ in het kader van het rederijkersproject Zeeland (je weet uiteraard wel wat een zot is, maar besluit toch om de omschrijving te bekijken in het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT)) en daar stuit je – als verrassing – op het volgende citaat:

Dikwyls denk ik nog aan onzen Guépin zyn oordeel over de Bloemen1; ik lach, en zeg by my zelf: hy blyft zot! Het werk Bloemen werd door Guépin dus als zot beschouwd. Is dat het belang van dit citaat? Nee, die wordt bepaald door de ik, die persoon is namelijk niemand minder dan Betje Wolff (1738-1804). Het is de enige plaats in het WNT waar Guépin wordt aangehaald en wel in een van de 113 citaten van Betje Wolff en Aagje Deken in het WNT.

Deze opvatting van Guépin deelt Betje Wolff in een brief van 18 september 1770 met Mr. H. Noordkerk.2 Waarom is dit citaat belangrijk? Zij moest dikwijls denken aan deze uitspraak. Hoe vaak moest ze eraan denken? En vanaf welk moment dateert deze herinnering? Het suggereert dat ze elkaar ontmoet hebben, al kan ze Guépins uitspraak natuurlijk ook ergens gelezen hebben. En wanneer zal zijn oordeel hebben plaatsgevonden?

De Bloemen verscheen in 1752 en een mening erover kort na de publicatie ligt voor de hand. Betje Wolff is dan echter pas 14 jaar en contact met Guépin of interesse voor de dichtbundel Bloemen van haar kant lijkt dan toch wat onwaarschijnlijk. Vijf jaar later laait de strijd tegen Hofstede echter weer op, althans de Bloemen worden opgevoerd en belachelijk gemaakt in het satirische werk Kralingiana uit 1757,3 onder andere door minder romantische bloemennamen op te voeren, zoals stinkende cichorei, slangenkruid, varkensgras en dergelijke. Niets echter doet denken aan het bovenstaande citaat en evenmin is bekend in hoeverre de dan 19-jarige Betje Wolff op de hoogste was van de schermutselingen in dit blad.

Als zij in 1770 haar verzuchting uit, is Guépin al vier jaar dood. Het blijkt trouwens dat het haar niet te doen is om de Bloemen uit 1752, maar om de publicatie over Belisarius van Petrus Hofstede uit 1769.4 Hofstede raakt hierdoor verzeild in een polemiek, de zogenaamde Socratische oorlog, waarbij Betje Wolff zich tegen hem keert. Zij schrijft in haar brief aan Noordkerk: “Hofstede’s styl staat my tegen,” en  “die Heer schryft my te winderig en te gebloemt.” 5 En zij maakt dus tevens graag gebruik van Guépins grievende opmerking uit haar herinnering dat Hofstede een zot is, waarmee – wellicht tot haar genoegen – gezegd is, dat hij dat dus al bijna twintig jaar is. Wij echter blijven vooralsnog ongewis over wanneer en hoe deze kennis tot haar gekomen is.

En de betekenis van ‘zot’ in het WNT? Vreemd; bespottelijk; grappig, niet ernstig.

1 Bedoeld is het boek van Petrus Hofstede, Bloemen, gestrooid op het graf van Willem Carel Hendrik Friso, Prinse van Oranje en Nassau, erfstadhouder enz. enz. enz. of, :Lofspraak, over deszelvs afkomst, deugden, gaaven, geleerdheid, en voortreffelyke daaden; beneffens, Een troostrede aan haare koninglyke hoogheid Anna enz. enz. enz., Rotterdam 1752. Dit werk werd door Guépin dus als zot beschouwd. Petrus Hofstede (1716-1803) was hervormd predikant te Rotterdam en schrijver.
2 Editie Joh. Dyserinck, Brieven van Betje Wolff en Aagtje Deken, Den haag 1904, 26.
3. Kralingiana, of zedige aanmerkingen over de Kralinger Twistschriften, door een Genoodschap van Letterbeminnaars, Tweede Boek (Liber Rarus), Rotterdam 1757, pp. 37-39, en H. Bruining en P. Hofstede, Het Kralinger Lasterschrift, genaamd klaare en grondige wederlegging en. enz. enz. Rotterdam 1757, pp. 41-44. Zie voor meer informatie over Kralingiana https://www.ent1815.nl/k-l/kralingiana-1757-1758/ .
4. Petrus Hofstede, De Belisarius van den Heer Marmontel beoordeeld,en de kwade zeden der vermaardste Heidenen aangetoond, ten bewyze hoeonbedagtsaam men deselve om hunne deugdsaamheid verhemeld heeft, Rotterdam 1769.
5. Dyserinck 1904, 26. De pennenstrijd over Belisarius is de geschiedenis ingegaan als de Socratische oorlog. Zie hierover P.J. Buijnsters, Wolff en Deken, Leiden 1984, pp. 105-118.

Geplaatst door Jan van Loo op 27 oktober 2022.