(5) Op de Dood van D’Heer Jan Westerwyk

Jean Guépin is twintig jaar als hij dit gedicht in 1735 schrijft. Mogelijk heeft bij dit gedicht nog een ander behoort, want rechtsboven staat (folio?)nummer 2. Het gedicht zelf is ook bijzonder, want de bezongen lofuitingen raken nog wel aan de werkelijkheid, maar de ware doodsoorzaak blijft in het duister. De lezer moet het doen met de cryptische formulering een felle blixem slaet o westerwyk! u fel ter neder. Wat kan daarmee bedoeld zijn? En wie was die Westerwijk?

Johan Westerwijk werd geboren te Vlissingen als zoon van Quirien Westerwijk en Elisabeth van den Kerckhove, beiden van eenvoudige komaf en getrouwd in 1679. Hij wordt omschreven als een avonturier en vertrok op jonge leeftijd naar Oost-Indië. Rond 1727 keerde hij schatrijk terug en ging weer wonen in Vlissingen. De bouw van een nieuw huis werd voltooid in 1730. Het betreft het zogenaamde Beeldenhuis van de architect Van Baurscheit. Ook de buitenplaats Lammerenburg behoorde tot zijn bezit. Hij was lid van het stadsbestuur, van 1727-1734 bijna doorlopend als schepen en in 1733 werd hij raad. Daarnaast was hij bewindvoerder van de West-Indische Compagnie en reder. Op 11 juli 1735 kwam hij om het leven door zelfdoding. Daarvan blijkt echter niets in het volgende gedicht.

 Op
de Dood van D’Heer 
Jan Westerwyk

Schepe & raad der stad vlissingen, bewindhebber
van de W.I.Comp in Zeelandt etc etc etc
Overleeden den 12 July 1735.
Het noodlot riep u, WESTERWIJK,
Tot uw geluk naer and’re landen:
Ook deed het u hier bly aenlanden
(T’ scheen ons tot nut en voordeel) ryk.

Het heeft de vierschaer u ontsloten;  
    De wetten in uw hand gestelt;  
    Om als een plant int vrugt’bre velt
Ons vlissinge luyster voortepoten.  

Het bleek; gy had dat ook int Oog
Als gy de weeuw & wees voorspreeken,
En stout’lyk dorst t’gewelt verbreken,
Als het zig tegens t’recht bewoog.

De westermaetschappy, verlegen
     om een, die haere kracht bestut’,
     koos u bewintheer om haar nut
t’ handhaven, t’ helpen overweegen.
Wat nu? Gy zyt ten top van Eer;
Gy stigt paleysen, plant uw hoven
Die u een diepe rust beloven:
Nu vergenoegt gy wenscht niets meer.

Gy zult nu stil, aen deese kusten
     Der schat, aen andere vergaert
     De vruchten, aen uw dis & haert
Bly plukken, na uw Sin & Lusten.  

Ja… Maer een felle blixem slaet
o westerwyk! u fel ter neder;
voor eeuwig sonder dat er weder
Verand’ring zy, van stand of staet.

Men sag uw Son int Oosten pryken
Haer middag scheen op ons ten goed’
Maer, sij benam ons aller moed,
Met haer int westen te sien wyken.
O graf! besit vry westerwyk;
O wormen knaegt syn dor gebeente;
Soo slechts, syn Ziel, in de Gemeente
Der zael’gen Juicht in t’ Hemelryk.  

Jan Guepin
CIƆ.IƆ.CCXXXV

Gezicht op het huis Lammerenburg te Koudekerke (Walcheren)

Bron: Zeeuws Archief, Zelandia Illustrata.

Het gedicht en de werkelijkheid

In kort bestek beschrijft Guépin in zijn gedicht de levensloop van Jan Westerwijk. De eerste strofe begint met de antithese Het noodlot riep u (…) Tot uw geluk. Het ‘noodlot’ verwijst daarmee enerzijds naar de verworven rijkdom, maar bereidt de lezer tegelijkertijd voor op iets wat echt noodlottig zal blijken. Eerst wordt echter nog verhaald dat Westerwijk een goed schepen was en een nuttig bewindvoerder. Het hoogtepunt bereikte hij met de bouw van zijn huis en de aanschaf van zijn buitenplaats. Kortom: er bleef niets meer te wensen over dan ervan te genieten. Dan volgt de anticlimax in de vorm van een ‘felle bliksem’ met zijn dood tot gevolg en wordt zijn leven vergeleken met de dagelijkse baan van de zon. En Guépin besluit met: laat de wormen zich maar ontfermen over zijn lichaam, terwijl zijn opgetogen ziel toetreedt tot de hemelse schare.

Wat gebeurde er in het echt? Jan Westerwijk heeft zich van zijn leven beroofd in de tuin van zijn buitenplaats Lammerenburg. Hij leefde min of meer samen met zijn germaine nicht (volle nicht). Het schijnt dat zij graag met hem wilde trouwen, er zelfs op stond, wat leidde tot de nodige ruzies. Op een gegeven moment “kregen ze over het onderwerp weder hooge woorden, zooals reeds meermalen het geval was en in arren moede, woede-uitroepen slakende, liep Westerwijk naar een afgelegen gedeelte van den tuin en joeg zich met een pistool een kogel door het hoofd,” aldus archivaris Groll.

Deze gebeurtenis moest geheim blijven, want een zelfmoordenaar kon niet in gewijde grond begraven worden; ter plaatse zou dat zelfs buitendijks plaatsvinden. Dus de bedienden werden omgekocht en de overledene werd naar Vlissingen getransporteerd en op 15 juli in de kerk begraven. Uiteraard lekte een en ander toch uit en bleek een overeenkomst met de baljuw nodig om de dode te laten waar hij lag. In verband met het gehele voorval en uit kiesheid zal Guépin ervoor gekozen hebben om dit drama te mijden in zijn grafdicht. Of hij Jan Westerwijk persoonlijk heeft gekend is niet bekend.

Bronnen

1. H.G. Groll, ‘Vlissingen in de naaste toekomst zonder Beeldenhuis’, in: Vlissingsche Courant, 2 juli 1930.

2. Inge Maria Breedveld Boer, Tekenen en vasseren : Het bedrijf van Jan Peter van Baurscheit (1699 – 1768) en de architectuur in het tweede kwart van de achttiende eeuw. Utrecht 2003, pp. 79, 142.

Geplaatst door Jan van Loo op 10 november 2021.

(4) Over Jean Guépin

Inleiding

Deze wat vreemde titel is de opening voor de hierna volgende overwegingen. Vreemd omdat uiteraard alles op deze site vanzelfsprekend handelt over Jean Guépin. Het bijzondere en tegelijkertijd prettige vande situatie op dit moment is, dat we aan de opbouw van de site staan en moeten overdenken hoe we die gaan aanpakken. Bij de blogs staan we voor de opgave om telkenmale een ander onderwerp aan te dragen en de digitale uitgave van de dichtwerken kent zo zijn eigen vraagstukken. Deze activiteiten zijn de ingrediënten voor een ontdekkingsreis die zonder twijfel de nodige verrassingen gaat opleveren mede omdat voor vrijwel alles rond het project Jean Guépin nog onderzoek verricht dient te worden. Kortom: veel is nog niet duidelijk, maar de veelzijdigheid van leven en werken van Jean Guépin garandeert een tombola aan mogelijkheden, die als inspiratiebron functioneert.

Webpagina’s en blogs

De vraag is welke pagina’s en subpagina’s zinvol zijn om toe te voegen aan de website met de mogelijkheid dat de getoontde informatie (deels) ook kan terugkeren in een blog. Er zal dus sprake moeten zijn van meerwaarde op de pagina’s.
Zeker één pagina moet gewijd worden aan opvattingen van Guépin, dé manier om hem beter te leren kennen. Het gaat dan om vragen als: Hoe beziet hij zelf zijn dichterschap? Welke meningen leren we kennen via zijn poëzie? Wat vindt hij van collegadichters? Zijn er opvallende godsdienstige opvattingen? Staat hij achter de slavenhandel? Hij was onder andere werkzaam voor en in de magistraat, blijken daaruit specifieke politieke voorkeuren? Verspreidt hij of beantwoordt hij (al) aan verlichtingsideeën enz. enz.

Een pagina die zeker niet mag ontbreken is een pagina waarop de achtergronden van de mensen besproken worden, die figureren in leven en werken van Jean Guépin. Velen werden verblijd met een gelegenheidsgedicht, anderen werden stevig op de hak genomen. Het is goed om te weten wat dat voor mensen waren om langs deze weg een zo duidelijk mogelijk beeld van het netwerk van Guépin te krijgen. Hierop aansluitend zou je een (sub)pagina kunnen maken over brieven. Brieven van, aan en over Jean Guépin. Een aparte categorie wordt daarbij gevormd door brieven op rijm. Niet alle correspondentie heeft trouwens te maken met tijdgenoten, maar vond plaats na zijn dood tot zelfs nog in de negentiende eeuw.

Er zijn zeker voldoende onderwerpen te bedenken voor pagina’s en/of blogs. Bijvoorbeeld over de rederij met aandacht voor o.a. de Middelburgsche Commercie Compagnie, de slavernij, St. Eustatius, zijn vader Jacob Guépin en de bijbehorende geldkwesties. Een andere mogelijkheid is een beschrijving van het toenmalige Vlissingen of de oprichting van verschillende genootschappen, waarbij Guépin betrokken was.

Dichtwerken

Van belang voor de kennis van zijn dichterschap is natuurlijk zijn eigen visie op het schrijven van poëzie. Die wordt behandeld in een artikel over het dichterschap van Jean Guépin, dat in voorbereiding is. Het zal verschijnen in het voorjaarsnummer van de Jacob Campo Weyermanstichting. Dit is een stichting die zich niet uitsluitend bezighoudt met Jacob Campo Weyerman (1677-1747, luis in de pels van de Verlichting), maar ook (met name) met de gehele achttiende eeuw. Een bezoekje aan de site is absoluut de moeite waard.

Stichting Jacob Campo Weyerman

http://www.weyerman.nl/

Centraal in het project staat de digitale uitgave van het complete werk van Jean Guépin, die toegankelijk zal worden gemaakt via de site van het Koninklijk Zeeuws Genootschap der Wetenschappen. Voordat het zover is, zullen er (fragmenten van) gedichten op de website van Jean Guépin aan bod komen. Deze site zal trouwens binnenkort ook geraadpleegd kunnen worden via de site van het KZGW.

Er is een tiental handschriften overgeleverd met lijstjes van gedichtentitels van Guépin. Ook deze zijn van belang. Er staan bijvoorbeeld titels op waarvan nog geen gedicht bekend is en soms zijn er aanvullingen met interessante informatie. Gecombineerd met het verzamelen van alle bibliografische en biografische gegevens die iets melden over Guépin, leveren deze lijstjes een compleet overzicht van de aandacht die (niet) aan Guépin is besteed.

Bij de aandacht voor het dichterschap krijg je verder te maken met de vorming van de dichter, zijn visie op zijn eigen poëzie en het schrijven van gedichten in het algemeen. Andere aspecten zijn de genres die hij beoefende en welke stijl hij bezigde, waarbij bij Guépin de satire opvallend aanwezig is.

Tot slot

Afbeeldingen vormen in de regel een welkome aanvulling of verduidelijking bij een tekst. Van Guépin beschikken we alleen over handschriften, dus afbeeldingen ontlenen we vooral aan mensen en situaties uit zijn omgeving. Gelukkig is er de Zelandia Illustrata waaruit we kunnen putten als het om Zeeuwse beelden gaat.

1043 Tekst op de zuil:

Zelandia Illustrata,
dat is
Het Graafschap van Zeelant
In zijn Steden, Dorpen, der zelver
Gebouwen, kloosters, Adelyke
Huijzen, Sloten, Lusthoeven
afgebeelt in tekeningen en Printen, met
deszelfs wapenkaart, Outheden en Afbeeldsels
verzameld
door
Hendrik Busserus Amstel.

296 Zelandia Illustrata III : historie en leven

NB De originele beschrijving bij deze afbeelding is niet correct.

Het streven is om in elk blog het laatste woord te geven aan Jean Guépin. De navolgende tekst zou rond 1870 opgetekend zijn door H.P. Winkelman:1

30 oktober 1762 bragt Burgemeester Winkelman rapport uit
over het gehouden Collegius qualificatum2 den 27sten te voren
te Zoutelande, over de verschillen tusschen Ds B. Dreszelaar
en zyne gemeente, zynde vruchteloos afgeloopen.
De Hr. J. Guepin teekende opzyn agenda aan:

Weer vruchteloos was onze last
Ons doordenRaad gegeven
Want, Dreszelaar, altoos een Kwast
Is ook een Kwast gebleven.
Dit is het slot van t overleg
De predikant of Kerk moet weg.

Bronnen

Links en urls worden gepresenteerd in een opvallende, lichtblauwe kleur en worden geopend in een nieuw venster.
1. Zeeuws archief, 7112 Handschriftenverzameling Gemeentearchief Vlissingen I, 1477-1927. Inv.nr. 5672. Afschriften van extempores, voor het merendeel van Jan Guépin, 1755-(c. 1775). (c. 1870), ongefolieerd.
2. Het Collegium Qualificatum beriep predikanten en koos de leden van de kerkeraad. Het had ook het recht van schorsing en afzetting van predikanten.

Geplaatst door Jan van Loo op 31 oktober 2021.

(3) De atlas in de DBNL

“In de atlas vind je geografische informatie over de auteurs en werken in de DBNL-collectie, zoals de geboorteplaats van een auteur of het land waarin een bepaalde roman zich afspeelt. De tool omvat vrijwel alle steden en dorpen in Nederland en Vlaanderen, en is voor de rest van de wereld doorzoekbaar op landniveau. Voor Nederland en Vlaanderen zijn zowel hedendaagse als historische kaarten beschikbaar.”1

Misschien is niet iedereen bekend met de werking van de DBNL. De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren presenteert teksten uit de Nederlandse letterkunde, taalkunde en cultuurgeschiedenis. Zij richt zich daarbij op alle eeuwen. Deze digitale collectie is nu uitgebreid met een atlas. Wat houdt deze mededeling in? Ga naar https://dbnl.org/atlas/nevl_standaard.php. Je klikt op Zeeland en dan krijg je: https://dbnl.org/atlas/zl.php?c=0. De plaatsen op de kaart zijn aanklikbaar en onder de kaart kun je eventueel kiezen voor een kaart uit vroeger eeuwen.

Provincie Zeeland

Wat is het voordeel van deze aanvulling in de DBNL? Klik als voorbeeld op de plaats Vlissingen. Je krijgt dan een overzicht van auteurs die in Vlissingen geboren zijn. Eronder een overzicht van auteurs die er gestorven zijn, achtereenvolgens gevolgd door literaire organisaties in Vlissingen, literaire werken in verband met Vlissingen en secundaire literatuur in verband met Vlissingen (taalkunde, letterkunde en non-fictie). Je kunt ook direct naar een gewenste categorie gaan door in een kader rechts op je keuze te klikken. Kortom je hebt alles bij elkaar wat er rondom Vlissingen te vinden is in de collectie van de DBNL. In een woord geweldig handig als je over een bepaalde plaats een onderzoek wilt beginnen.

De rederijkers vallen onder de literaire organisaties en de enige vermelding in Vlissingen is de Blaeu Acoleye. Nadere informatie over dit rederijkersgilde is te vinden in het repertorium, maar er is ook informatie over de leden, zo mogelijk met geboorte- en sterftedatum. Als je op bijvoorbeeld Lambrecht Verbrugge klikt, krijg je vier aanklikbare teksten, alle uit Vlissings redens lust-hof uit 1642. Wil je nog meer weten over hem, dan zijn er twee biografische naslagwerken die je direct de aanwezige informatie over Verbrugge geven. Hetzelfde geldt voor aanwezige teksten. Je ziet dan in een oogopslag wie de auteur is en dat alle informatie komt uit de hiervoor genoemde bundel, behalve de teksten van Jeronimus van der Voort. Bij de secundaire literatuur over dit gilde staan Meertens (1943) en Ter Laan (1952) genoemd, 70 jaar geleden dus!. Het wordt de hoogste tijd voor een nieuwe studie over de rederijkers in Zeeland.

Als auteur uit Vlissingen bekijken we Jean Guépin (1715-1766). We constateren dat er over deze schrijver bedroevend weinig informatie aanwezig is in de DBNL: enkele biografieën die elkaar ongetwijfeld napraten en slechts één bron als secundaire literatuur. Zelfs Meertens bleek deze auteur niet te kennen en dat is merkwaardig in de wetenschap dat Guépin heel wat dichtwerken heeft nagelaten. Betje Wolff brengt het er aanzienlijk beter af. Er is aandacht voor een groot aantal oorspronkelijke publicaties (downloadbaar), teksten in andere boeken, biografieën, een lange lijst met secundaire literatuur, geschreven brieven van en over Betje Wolff en tenslotte worden er twee websites vermeld.

Iedere liefhebber van de Zeeuwse letterkunde moet een en ander maar eens zelf uitproberen aan de hand van de eigen interesses. Wat de rederijkersinformatie betreft, kan de website Rederijkers Zeeland verrijkt worden door de in de DBNL vermelde informatie over te nemen en onder te brengen bij de betreffende plaatsen, als tekst of als een downloadbare pdf. Verder is het plezierig om vast te stellen dat het repertorium van Arjan van Dixhoorn nu beter benaderbaar is geworden in de DBNL. Voor de website Jean Guépin valt er in de DBNL weinig te halen. Voor beide sites gaat trouwens op enig moment het omgekeerde gelden: de DBNL kan daar haar informatie ophalen en de websites als bron vermelden.

Tenslotte zij nog opgemerkt dat lang niet alles wat bekend is, al in de DBNL aanwezig is, maar de atlas in de DBNL is een geweldige toevoeging aan het digitale onderzoeksfront.

Bron

1. Dit citaat is overgenomen van https://neerlandistiek.nl/2021/10/de-atlas/, gepubliceerd op 27 oktober 2021.

Geplaatst door Jan van Loo op 29 oktober 2021.

(2) Jean Guépin en het KZGW

Naamlijst

Hiernaast ziet u de eerste bladzijde uit de ‘Naamlijst der Leden’ van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.1 Het is merkwaardig om als derde naam die van Jean Guépin te lezen. Merkwaardig omdat dit genootschap officieel werd erkend door de Staten Generaal op 23 maart 1769,2 terwijl uit de kolom van overlijden blijkt dat Guépin drie jaar eerder overleden is. Wat is het belang van Jean Guépin dat hij hier postuum vermeld wordt?

Oprichting (K)ZGW

Er zijn notulen uit 1769 bewaard gebleven met een terugblik over het ontstaan van Het Koninklijk Zeeuws Genootschap onder de noemer: “Rapport van de oprigting van t Genootschap door de leden van t Fransche leesgezelschap te Vlissingen.”3 De vermelde leden die eens per maand bijeen kwamen, zijn: de heren Gallandat, Guépin, Mazel, Winkelman, Isaek Hurgronje, Adriaen Isaek Hurgronje, Changuion, Justus Tjeenk. Brahé, Muller, Hageman en Daniel Chandon.4 Op 30 oktober 1765 ging het gezelschap akkoord met een voorstel van Justus Tjeenk en Jan Jacob Brahé om “op te rigten eene maatschappij van kunsten en weeten schappen, en de geleerde van dit en andre geweesten uit te lokken, om gesamentlyk de belangens van het vaderland door de uitbreyding van waerheyd en deugt met kragt en nadruk te bevorderen.” En aldus geschiedde.

Martelkroon voor de Eerste Christenkerk

Op 29 januari 1766 werd aan Guépin en Brahé, als voormalig lid van het niet meer bestaande kunstgenootschap ‘Conamur tenues grandia’5 verzocht bijdragen te leveren ten behoeve van een nog te verschijnen uitgave. Guépin levert op 26 februari 1766 het gedicht Martelkroon voor de Eerste Christenkerk “over welks Inhoud en uit Werking alle de Leeden hun bysonder genoegen betuygen.” Gezien deze omschrijving lijkt het erop dat het gedicht van 55 strofen met elk 10 versregels mogelijk volledig is voorgelezen door Guépin. Men had namelijk de gewoonte om tijdens de maandelijkse bijeenkomsten verhandelingen te houden. Van dit gedicht zijn twee versies overgeleverd.6 Waarop het veronderstelde jaartal 1750 gebaseerd is, is onduidelijk. Wel kan worden aangenomen dat handschrift 4242 de eerste en originele versie is van de Martelkroon. Dit katern van 44 pagina’s staat namelijk vol met doorhalingen, verbeteringen en probeersels. De tweede versie maakt deel uit van een verzamelhandschrift met de titel Mengelstoffen en kent geen verschrijvingen. Ook dit gedicht is geschreven in het handschrift van Guépin. Hoewel er verschillen zijn met de eerste versie zijn veel verbeteringen van de laatste verwerkt in dit afschrift.

Fragment Martelkroon (Hs. 4242) met links de eerste strofe en rechts rijmprobeersels

Inhoud Mengelstoffen

  • Het te Deum laudamus, lofzang van den heiligen Ambrosius en Augustinus uit het Fransch vertaalt (folia 1-4).
  • Lijk-Cijpres voor de Welgebore Vrouwe Maatje Verponte (folia 4-8).
  • Bacchus in Cortgene (folia 9-12).
  • Bruiloft’s lied ter bruilofte van … (folia 13-15)
  • Een berijmde A.B. (folio 16).
  • Klink-digt voor den Heer Pieter de Beaufort de Duvendijke (folio 17).
  • Klink-digt ter gelegentheid van Willem Valenski (folio 18).
  • Lammerenvliet in rouw over ’t overlijden van Adriaan de Vos + Graf-schrift (folia 19-24).
  • Afscheit’s zang aan den heere Theodoor Feltman de Beveren. (folia 25-28).
  • Geboorte-zang voor Jongkvouwe Martha Kornelia Lambrechtzen (folia 29-36).
  • Martel-kroon voor de eerste Christen kerk (folia 37-65).
  • Uitbreidinge over het 5 vers van ’t 9 Hoofddeel van Jesaia (folia 66-68).
  • Op de herbouwde Oost-kerk binnen deze stad (Vlissingen) (folio 68).

Fragmenten Mengelstoffen (Hs. 2711) met links onbekend handschrift en rechts handschrift van Jean Guépin.

De opbouw is tweeledig: het eerste gedeelte, folia 1-36, is overgeschreven door een onbekende afschrijver (afb. links), terwijl de folia 37-68 van de hand van Jean Guépin zijn (afb. rechts). Deze delen zullen aanvankelijk waarschijnlijk separaat in gebruik geweest zijn en vormen thans één katern. Mogelijk is indertijd het gedeelte met Guépins hand door hem ingeleverd bij het Genootschap. De voorgenomen uitgave is echter nooit verschenen.

Vertaling

Een laatste bijdrage aan dit gezelschap levert Guépin in op 26 maart 1766: “Eene uytbreyding der navolging Van Jesus Christus door Thomas a kempis int latyn beschreeven door Corneille in fransche Digtkunst Vervat, en door de Heer Guepin in t Neederduytsch over gebragt en aengebooden.”7 Het overgeleverde handschrift is een katern van 12 folia en het gedicht bestaat uit 311 versregels. Enige maanden later, op 15 juni 1766, komt Jean Guépin te overlijden.

Tot Slot

Dankzij bovenstaande notities is duidelijk dat het belang van Guépin gelegen is in het feit dat hij een van de medeoprichters was van het KZGW. En dankzij de bewaarde notulen zijn we enigszins op de hoogte van waarmee Guépin zich in zijn laatste maanden bezig hield. Uit zijn omvangrijke oeuvre koos hij voor twee religieuze werken uit (vermoedelijk) ca. 1750. Van belang voor ons is voorts de hoeveelheid handschriften van Guépin, waarvan het KZGW de eigenaar is. Interessant is tenslotte wanneer en hoe het Genootschap die in bezit heeft gekregen. Dat is nog onderwerp van onderzoek.

Bronnen

1. Zeeuws Archief Middelburg, 26 Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (KZGW), 1769-1969 (c. 1985), inv.nr. 21, Register houdende namen van de leden, met aantekening van functie of beroep, jaar van benoeming en van bedanken of overlijden over 1768-1930, 1912-1930, folio 1.
2. Dixhoorn, Arjan van, Henk Nellen, Francien Petiet (red.): Een hoger streven. Bouwstenen voor een geschiedenis van het Zeeuws Genootschap, 1769-2019 (Archief 2019), Vlissingen 2019, 11.
3. Zeeuws Archief Middelburg, 26 Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (KZGW), 1769-1969 (c. 1985), inv.nr. 3, Notulen der vergaderingen van directeuren, van algemene vergaderingen en van de vergaderingen van het perpetueel committé, 1769-1853. Afschriften, 1769-1804, folio 4 e.v.
4. Zie voor meer informatie over genoemde genootschappen en hun leden: W.W. Mijnhardt, Tot Heil van ’t Menschdom. Culturele genootschappen in Nederland, 1750-1815. Amsterdam 1988, 127-130.
5. Ibidem 127. Dit genootschap werd door Jean Guépin en Nicolaas Lambrechtsen opgericht in 1753 en bestond in 1766 niet meer.
6. Beide handschriften worden bewaard in de Zeeuwse bibliotheek te Middelburg en zijn online te raadplegen: 4242 Martelkroon – Met 55 gedichten of coupletten, [ca. 1750]. en 2711 Mengelstoffen – Gedichten, [ca. 1735-1752]..
7. 2712 Uitbreidinge der navolginge van J.C. van T a Kempis door Corneille in Fransche dichtkunst – Vertaling door Guépin van een gedicht van P. Corneille naar Thomas â Kempis (Imitatio Christi), [ca. 1750].

Geplaatst door Jan van Loo op 26 september 2021.

(1) Mercator sapiens

Een goede manier om kennis te maken met iemand is door zijn portret te tonen. Bij Jean Guépin hebben we echter alleen de beschikking over de beschrijving van Mr. Jan de Timmerman (1726-1765):

Op de afbeelding

van den heere

JAN GUEPIN

schepen en raad te Vlissingen

Dus toont de kunst GUEPIN, o Vlissinge, uwen Raad,
Die uw belangen kent en voor uw’ handel staat,
Wiens ongekreukt gemoed uw Vierschaar strekt ter paarle,
Wiens vlijt uw Zeevaard schraagt, der Zanggodinnen vrind,
Die, al wat wijsheid heet, in taal bij taal bemint ,
In ’t kort den Koopman van VAN BAARLE.1

De verblijfplaats van het echte portret, vermoedelijk een gravure of een silhouetafbeelding, is niet bekend. Ook zijn er geen afbeeldingen bekend. Het is dus nog maar de vraag of er daadwerkelijk sprake is van een bestaand portret. De geboden tekst is namelijk eerder een beperkte karakteruitbeelding van de persoon Guépin dan de beschrijving van een afbeelding. Maar niettemin is hij hier herkenbaar beschreven.

Van Baarle
Samenvattend toont de kunst ons de Koopman van Van Baarle. Kaspar van Baerle is Casparus Barleus (1584-1648) die op 9 januari 1632 zijn oratie hield bij de inwijding van de Illustre School te Amsterdam met als titel Mercator Sapiens (de wijze koopman). Kennelijk zag De Timmerman die zelf pensionaris van Middelburg was, hem in de eerste plaats als een verstandig ondernemer. De overige kwalificaties zijn gevat tussen de eerste en laatste versregel. Bij elkaar tonen zij, in vogelvlucht, wie Jean Guépin was en wat hij deed.

Vlissingen
Als schepen en raad van Vlissingen heeft de stad in hem een vertegenwoordiger die handelt in het belang van Vlissingen. Hij strekt bovendien een ieder tot voorbeeld door zijn onkreukbare gedrag.

Door zijn ijver levert hij – als reder – een bijdrage aan de handel en scheepvaart. De woordkeus schraagt veronderstelt dat hij een ware steun was op dit terrein. We zullen later echter gaan vaststellen dat daarop wel het een en ander valt af te dingen. Zo werkte hij samen met de Middelburgsche Commercie Compagnie die bekendheid geniet vanwege de slavenhandel. Of en in hoeverre Guépin hierbij betrokken was, zal nog blijken. Maar vooralsnog geldt: over de doden niets dan goeds.

De muzen
Guépin wordt vriend van de zanggodinnen genoemd. We kunnen dus verwachten dat hij ze regelmatig opvoert in zijn poëzie. Onder de zanggodinnen worden de negen muzen verstaan. Een tweetal muzen dat we zeker tegen zullen komen in zijn gedichten is Kalliope (muze van de epische poëzie, de filosofie en de retorica; zie de afbeelding2) met onder andere een schrijftafel en schrijfstift als attribuut en Polyhymnia (muze van de retoriek en de gewijde liederen). En misschien kende Guépin wel een eigen muze die als inspiratie diende voor zijn poëzie.

Liefde voor taal
Ook in zijn taaluitingen vindt De Timmerman Guépin een wijs man die zich een waar liefhebber van de taal toont. Zo schaafde Guépin aan zijn gedichten (hij schreef er honderden) dat het een lieve lust was, beheerste hij Nederlands, Frans, Engels en Latijn, was op de hoogte van de literatuur der groten van die talen en trad bovendien zelf op als vertaler. Daarnaast stond hij aan de wieg van enkele genootschappen die goed taalgebruik als hoogste doel stelden.

Nagedachtenis
N.C. Lambrechtsen (1752-1823) schrijft in het slot van zijn hulde aan de nagedachtenis van wijlen Jean Guépin: […] “twijfel ik nogtans niet, of bevoegde beoordeelaars zullen zijne verdiensten erkennen, en hem geene plaats ontzeggen onder de Dichters der 18de eeuw.”3 In 1819, ruim een halve eeuw na Guépins dood, vond men het dus nog de moeite waard om deze huldeblijk te publiceren, maar een brede waardering van Guépins werk is (tot op de dag van vandaag) eigenlijk uitgebleven. Moge de beslissing om al zijn gedichten te publiceren recht doen aan Jean Guépin.

Bronnen

1. Nagelaten gedichten van MrJan de Timmerman in leven pensionaris der stad Middelburg, Middelburg 1774, p. 318. De datum ontbreekt bij dit gedicht, maar het is geplaatst tussen een serie portretbeschrijvingen van rond 1748. Het gedicht moet echter van oudere datum zijn, want Guépin werd pas in 1759 voor het eerst tot schepen benoemd (Bron: Middelburgsche Courant, 5 mei 1759).
2. http://www.koxkollum.nl; gezien op 26 augustus 2021.
3. [N.C. Lambrechtsen], “Hulde aan de nagedachtenis van wijlen Jan Guépin, weleer schepen en raad der stad Vlissingen, en aldaar overleden in den jare 1766′, in: H.W. Tydeman en N.G. van Kampen, Mnemosyne, vijfde stuk, Dordrecht 1819, 201.

Geplaatst door Jan van Loo op 27 augustus 2021.

Aankondiging

R ederijkerswerkgroep
Z eeuws-Vlaanderen

in samenwerking met


Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen

Op zaterdag 21 augustus 2021 maakt het Koninklijk Zeeuws Genootschap der Wetenschappen het project van Jean Guépin bekend in haar Nieuwsbrief. Zodra daarna de eerste volgers zich hebben aangemeld, wordt een eerste blog over deze Vlissingse dichter verstuurd.