(11) Betje Wolff over Jean Guépin

Betje Wolff blijft de gemoederen beroeren, zeker na het nieuws dat Marita Mathijssen een emobiografie over haar gaat schrijven en een overbekend portret juister heeft weten te dateren.1

Of en hoe Jean Guépin Betje Wolff heeft beïnvloed in haar literaire ontwikkeling is nog onderwerp van onderzoek. Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre er onderlinge contacten zijn geweest en in welke mate Betje Wolff kennis heeft kunnen nemen van de dichtwerken van Guépin aangezien veel daarvan niet is gepubliceerd. Er is in ieder geval één dichtwerk van haar hand bewaard gebleven, waarin ze haar bewondering voor Jean Guépin ronduit laat blijken: Lijkzang voor den weledelen gestrengen heere den heere Jean Guépin2 naar aanleiding van diens overlijden op 15 juni 1766.

Onder de verschillende uitingen van medeleven bij zijn overlijden is deze van Betje Wolff misschien wel de belangrijkste. Ze neemt volop de ruimte om in positieve superlatieven over hem te schrijven, wellicht indachtig aan het gezegde ‘Over de doden niets dan goeds’. Maar ze zal er toch ook wel iets van gemeend hebben.

Betje Wolff begint met aandacht voor de onlangs gehouden feesten naar aanleiding van de inhuldiging van Willem V als heer van Vlissingen.3 Vervolgens wordt Vlissingen daarna in diepe rouw gedompeld door dit enorme verlies. En weer memoreert ze de feestvreugde om verder te gaan met:

De Dichtkunst speelt gebroke klanken.
Geen vrolyk feestmuziek rolt van d’ yvoren Lier,
Nu niet omslingert met het loof van den laurier;
Maar met cipressen4 ranken!

De schrijfwijze van Guepin wisselt Betje Wolff af met Geupin en zij vindt: Geupin, hoe hoog geschat nooit naar waardy geschat. Zij constateerde kennelijk een tekort aan aandacht voor deze dichter die na een kort ziekbed overlijdt. Voor Vlissingen, ja heel Zeeland was het niettemin een groot verlies, want Wie kan als hy de Lier bespelen? Behalve dichten kon hij ook goed tekenen. Guepin stond bekend als een eerlijk en gelovig mens die zijn vorst en vaderland eerde. Ook de aandacht voor zijn humor ontbreekt niet. Wolff haalt uit naar de ongelovigen en snoert hen de mond met Hebt g’onder u wel één Geupin? En niet te vergeten: hij was ook koopman en reder.

Ook de nietigheid van de mens komt aan bod, want hoe goed je het ook hebt, Roem niet. al wat gy hebt is U ter leen bedeelt. Ook is er mededogen voor zijn rouwende vrouw (Elisabeth Freni) die haar levensvriend voor altijd moet missen. Betje Wolff besluit tenslotte met:

Wy pogen naar iets grootsch ons voorbeeld was Guepin!
Naar s’ Christens eerste pligt is hem gelyk te zijn.
Dit zy de Leste Les u door uw Vriend gegeven.
Zoo leven u’ hier vernoegt in hoop op t hemelleven.
Wie voor s’ Mans deugd & geest een blyk van achting gaf,
Myn Liefde & Achting strooyt dees bloemen op zyn Graf.

Na deze laatste regel richten we de aandacht op het hierboven afgebeelde portret van de vrouw die deze woorden opschreef. Het portret is gedateerd op 1766 (zie voor de onderbouwing noot 1). En de vrouw die ons aankijkt, is de dan 28-jarige Betje Wolff. Zo moet ze eruit gezien hebben toen ze dit gedicht schreef. Minstens even interessant is het boekwerk dat ze in haar hand houdt: An essay on man van Alexander Pope. Het is een boek waarvan ze in 1783 een prozabewerking zal schrijven.5 Het is goed mogelijk dat haar kennismaking met Pope via Jean Guépin is gegaan. Hij schreef rond 1750 het gedicht De Mensch, waarbij Pope fungeerde als zijn inspiratiebron.6

Liefhebbers kunnen het originele handschrift hieronder (noot 2) downloaden, voor de pdf-versie van de transcriptie van de Lykzang klikt men hier.


1. Marita Mathijjsen, “Uit de kast: een ‘emobiografie’ van Betje Wolff”, 9 mei 2022 en “Betje was niet zestien jaar” (uitleg over het portret), 28 mei 2022.
2. Middelburg, Zeeuwse Bibliotheek, kluis handschrift 4240: Betje Wolff, Lijkzang voor den weledelen gestrengen heere den heere Jan Guépin, 1766, Collectie Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Het gedicht omvat één katern met de foliumnummers 1-4.
3. Op 30 mei 1766, dus kort voor zijn overlijden schreef Guépin nog een gedicht over deze heugelijke gebeurtenis.
4. Een cipres is het christelijk symbool van de hoop op een leven na de dood.
5. P.J.Buijnsters, Bibliografie der geschriften van en over Betje Wolff en Aagje Deken, Utrecht 1979, 36 nr. 57.
6. Middelburg, Zeeuwse Bibliotheek, kluis handschrift 2717: Jean Guépin, De mensch, [ca. 1750]. Collectie Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Het gedicht omvat één katern en is doorlopend genummerd met de oneven foliumnummers 1-15.

Geplaatst door Jan van Loo op 31 juli 2022.

(10) Zwemkunst in de 18e eeuw

Onlangs stond ik in de Zeeuwse bibliotheek met het hier afgebeelde blaadje1 in mijn handen. Op het eerste gezicht een onooglijk blaadje met een gedichtje van Guépin in het Frans. De tekst luidt als volgt:

A L’auteur de l’Art
de nager


Tu pretends, par compassion,
Sauver les mortels de naufrage,
Attaquer fort et bastion,
Passer l’ocean a la nage
Mais ami (dis moi) croira t’on
De ton Art la perfection?
Voyant tes grossieres meprises:
Toi, nous apprendre a bien nager!
Toi! qu’on voit tristement noyer
(Par ce traitté) dans des sottises.

J.G.

Le 20 de septembre 1741.

Waarover gaat het in dit gedichtje? De titel maakt duidelijk dat het gericht is aan de schrijver van een boek over de kunst van het zwemmen. Gezien de datum bij het gedicht zal het gaan over het boek L’art de nager ou Invention à l’aide de laquelle on peut toujours se sauver du naufrage; &, en cas de besoin, faire passer les plus large rivières à des armées entières van Johann Friedrich Bachstrom (1688-1742), Amsterdam 1741. Hij was afkomstig uit Polen en schrijver, wetenschapper en Luthers theoloog en zeer modern voor zijn tijd. Zo was hij van mening dat vrouwen ook arts konden worden, dat om scheurbuik te voorkomen er verse groenten gegeten moesten worden en dat matrozen behoorden te leren zwemmen voordat ze gingen varen. In het boek gaat het vooral om het redden van levens (van schipbreukelingen) en de uitvinding van een reddingsvest van kurk. Overigens was Bachstrom niet de eerste die een boek over zwemmen schreef. In 1696 schreef Mechisedec Thevenot L’art de Nager, een boekwerk dat in de achttiende eeuw het standaardwerk werd om te leren zwemmen.2 Omdat het om droogzwemmen gaat, worden er ter ondersteuning afbeeldingen getoond, waaronder merkwaardige figuren, zoals bijv. nager la jambe élevée (zwemmen met opgeheven been, p. 36).

Maar, zoals gezegd, zal Guépin gedicht hebben over het zeventig bladzijden tellende boekje van Bachstrom uit 1741 en dat heeft alleen een titelplaat van een schipbreuk en de lezer moet zich redden zonder zwemvoorbeelden. En het lijkt erop dat Guépin dat een vreemde zaak vond, want hij richt zich op spottende toon tot de auteur. Volgens Guépin beweert de schrijver dat hij uit medelijden schipbreukelingen wil redden en dat vestingen en bolwerken zwemmend via de oceaan aangevallen kunnen worden, en, gaat hij verder op amicale toon Mais ami (dis moi) croira t’on De ton Art la perfection? Zal men geloven in jouw kunst van de perfectie? Kijk naar je ongemanierdheid en onverschilligheid en jij zou ons goed moeten leren zwemmen? Jij, men ziet jou door deze handleiding op een treurige manier verdrinken in je eigen stommiteiten. Niets wijst erop dat er wrijving bestond tussen Bachstrom en Guépin, andere redenen zijn niet aangetroffen. Misschien had Guépin simpelweg een hekel aan zwemmen en wijdde er daarom dit satirische gelegenheidsgedichtje aan.

1. Middelburg, Zeeuwse Bibliotheek, kluis, handschrift 2738, Collectie Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.
2. M. Thevenot, L’art de Nager, demontre par figures, Avec des avis pour se baigner utilement, Paris 1696.

Geplaatst door Jan van Loo op 16 mei 2022.

(9) Op avontuur naar Domburg in 1734*

Het avontuur wordt beschreven als een heldenepos. Het is een ‘verslag’ op rijm1 van een dagtocht op dinsdag 27 april 1734 van Vlissingen naar Domburg, die Guépin maakte met zijn drie vrienden Hermanus Jaarsma, Nicolaes Lambrechtsen en Jacobus (Co) Boudrie. Guépin beschrijft de belevenissen op 8 mei. Hij begint echter met een openingsgedicht waarin hij zich afvraagt of het gedicht over de reis wel in goede aarde zal vallen bij zijn vrienden. Maar hij vindt toch dat hij het erop moet wagen en accepteert op voorhand dat zijn vrienden in het dichten zijn meerderen zijn.

De reyse of wandelinge
Soo als den morgen sig vertoonde
En dat de Heldre son beloonde
de nagt, met klaerheyt van het ligt
door syn vermakelyk gesigt:
begaven wij ons, met ons vieren
om door het Zeeuwsche land te swieren
2

Aldus begaf men zich op pad. Er is meteen hilariteit, omdat Co zich heeft opgedoft als een echte Engelsman. Zijn gebruikelijke kloffie moest namelijk hersteld worden. Co zal de groep de weg wijzen naar Poppendamme.3 Het wordt meteen duidelijk dat onze dichter de groep wil neerzetten als een stel jonge helden, maar het noodlot slaat meteen toe. Co weet de weg niet en het gevolg is dat de heren moeten ploeteren door natte weilanden en kleiakkers met enorme kluiten. Ze komen ook niemand tegen om de weg te vragen. Uiteindelijk belanden ze weer op een weg…

Dus was ons smerte g’heel verligt
het eerst dat sig aen ons Gezigt
vertoonde was het nare teeken
van Dankaerts4 doodt daer uyt gesteeken
het bleeke stroobos voor de deur
5

Gezicht op het dorp Domburg, vanuit het noordwesten. Moeder met kinderen, herders en een kudde schapen op de voorgrond, 1662. kopergravure, Ottens (Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, deel II, nr. 69).

In Domburg vermaken ze zich met pootjebaden en natuurlijk bezoeken ze de lokale herberg. Over het eten wordt uitgebreid bericht. De terugweg voltrekt zich langs de kust en bij Westkapelle aangekomen moeten ze wel een uur zoeken naar de herberg om zich daar met thee te laven. En aldus versterkt gaat het richting Zoutelande. In Dishoek strijken ze neer bij Jan Visser en doen zich tegoed aan paasbrood met boter, komijnekaas en flinke glazen bier. Hiermee komt hun reis ten einde en moeten ze zich naar Vlissingen haasten om geen poortgeld te hoeven betalen.

De blijheid van de hervonden weg wordt aldus meteen tenietgedaan. Ze besluiten nu eerst naar Koudekerke en vandaar naar Beekerke (Biggekerke) te lopen. Eenmaal goed op gang gekomen, wapenen de jongeheren zich met wilgentakken waarmee ze iedereen, maar met name honden, schrik aanjagen. De takken worden beschreven als een knots, een piek, een speer en een lans, de vier zijn nu als Hercules onaantastbaar! Vervolgens worden hun zogenaamde heldendaden beschreven. De eerste pleisterplaats is bij de waard van Beekerke waar zij hun “overgrooten dorst” lessen. Dat gebeurt met koffie en er wordt ook gegeten. Vervolgens wordt koers gezet naar Domburg via Meliskerke en Aagtekerke:

En onderweege wy ontmoete
een dikken boer dewelk ons groete
ons seggende dat hy vast dagt
dat walcheren reeds was verkragt,
en door de Franschen ingenomen
dat hy reeds seer begon te schroomen, en byna in een flaeuwte lag.
wen hy van ver ons wapens sag6

In Domburg vermaken ze zich met pootjebaden en natuurlijk bezoeken ze de lokale herberg. Over het eten wordt uitgebreid bericht. De terugweg voltrekt zich langs de kust en bij Westkapelle aangekomen moeten ze wel een uur zoeken naar de herberg om zich daar met thee te laven. En aldus versterkt gaat het richting Zoutelande. In Dishoek strijken ze neer bij Jan Visser en doen zich tegoed aan paasbrood met boter, komijnekaas en flinke glazen bier. Hiermee komt hun reis ten einde en moeten ze zich naar Vlissingen haasten om geen poortgeld te hoeven betalen.

Slot
Bovenstaande wandeling zal al gauw tussen de 35 en 40 kilometer bedragen hebben. Met het wandelen en het rusten op de pleisterplaatsen is aardig wat tijd gemoeid. Het is de vraag of dat in de werkelijkheid met het programma van de vrienden wel haalbaar was in één dag. Overigens is de beschreven route een leuke wandeltip voor gedreven wandelaars.

* Deze reis staat ook beschreven in: Jan van Loo, ‘Ja myn Pen gy moet het waegen’, in: De Wete, jrg. 51 (2), april 2022,31-33.

1. Zeeuwse Bibliotheek, Middelburg, KLUIS Hs. 4786, folio 3: ‘Reise of Wandelinge door het land na Domburg in nederduytsche rym door Jan Guepin Jacobs’. Het volledige handschrift telt 39 folia, is te downloaden in transcriptie en voor de scans van het handschrift klikt u op deze link.
2. Ibidem, folio 4.
3. Poppendamme is thans een buurtschap in de gemeente Veere.
4. Het is (nog) niet bekend wie bedoeld wordt. Guépin kende mogelijk deze familie, want in 1738 schrijft hij een huwelijksgedicht voor Jacob Dankaarts.
5. ‘Reise of Wandelinge’, folio 8.
6. ‘Reise of Wandelinge’, folio 23.

Geplaatst door Jan van Loo op 13 april 2022.

(8) Pieter de Beaufort

Jean Guépin heeft in zijn leven tientallen gelegenheidsgedichten geschreven. Dat is poëzie voor een speciale gelegenheid. Je moet hierbij denken aan een verjarings- of geboortegedicht, een bruilofts- of huwelijksgedicht, een uitvaartsgedicht of lijkdicht (vaak met grafschrift), een hulde- of lofgedicht bijv. ter gelegenheid van een promotie, een beroeping of een benoeming, een afscheidszang enz. enz.

Voor de omvang van zulke gedichten kan men denken aan die van een pamflet en niet zelden werden deze gedichten gedrukt (aangeboden). Zo werden ze tevens verspreid binnen een vriendenkring. Je was vaak ook niet de enige die een gedicht aanbood, dus een bruiloftspaar kon verschillende gedichten ontvangen over hun heugelijke dag. Deze verzen werden soms gebundeld in een verzamelband, waardoor men de poëzie over zichzelf of over mensen uit de vriendenkring handzaam bij elkaar had. Een voorbeeld van een dergelijke bundel is KLUIS 1111 F41 uit de Zeeuwse bibliotheek te Middelburg.

Deze bundel bestaat uit 94 ongenummerde pagina’s en omvat twintig gedichten die betrekking hebben op acht verschillende gelegenheden.2 Behalve de namen van de bezongenen zijn ook die van de dichters van belang. Jean Guépin vinden we terug bij elke gelegenheid, een enkele maal namens Kunstgenootschap Conamur tenues Grandia. Er is niet voor gekozen om de gedichten chronologisch of thematisch in te binden.

Familiewapen van het geslacht De Beaufort

Binnen dit bestek is het niet mogelijk om van alle genoemde personen de relatie met Jean Guépin vast te stellen. We beperken ons daarom tot de promotie van Pieter de Beaufort. Hij is op 2 september 1737 gepromoveerd tot dokter in de beide rechten. In die dagen was het gebruik om te promoveren in het Romeins recht en in het Canoniek recht. Zijn dissertatie is geschreven in het Latijn gevolgd door vijf stellingen en een gedicht van Jean Guépin en van Nikolaes Lambrechtsen junior.3 In de gelegenheidsbundel zijn alleen stelling vier en vijf opgenomen en het gedicht van Nikolaes Lambrechtsen junior ontbreekt. De samensteller van de bundel voelde zich kennelijk niet verbonden met Lambrechtsen. Een fout van de binder behoort ook nog tot de mogelijkheden, want uiteindelijk was ook een deel van de stellingen niet mee ingebonden.

Wat was de relatie met en wat betekende Pieter de Beaufort de Duivendijk voor Guépin? Het huldedicht in de verzamelband maakt ons niet wijzer. Vier jaar later in 1741 schreef Guépin opnieuw een gelegenheidsvers voor Pieter de Beaufort, deze keer ten afscheid van De Beaufort in verband met diens verhuizing naar Zierikzee.4 Daarin staan enkele regels die de betekenis van hun vriendschap duiden:

‘k erdenk bij mij, nu ’t op een scheiden gaat,
Mijn kindsheid aan uw kindsheid reeds verbonden
Door vriendschap, en in onzen jonglingstaat
Tot op dit uur, die vriendschap ongeschonden;
Die tederheid aan uwen vriend betoond;
Dat open hart, nooit dicht voor hem gesloten;
Die goedheid, die den stuursten naar zig troont,
Dit heb ik al, misschien nog meer, genoten.

Pieter de Beaufort de Duivendijk is gedoopt te Sluis op 25 oktober 1715 als zoon van Hendrik de Beaufort en Agatha Mogge. In hetzelfde jaar is zijn zus Anna Agatha de Beaufort geboren.5 In de hierboven aangehaalde verzen lezen we dat Guépin en De Beaufort elkaar van kinds af aan al kenden en dat hun vriendschap in latere jaren werd voortgezet. Gezien hun geboortejaar zijn beiden in 1737 22 jaar geworden. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat ze gelijktijdig de Latijnse school in Vlissingen bezochten. Dat is goed mogelijk, want vader Hendrik de Beaufort legde in Vlissingen op 12 september 1719 de poorterseed af en trad 4 dagen later toe tot de raad van Vlissingen en zou tot aan zijn dood op 17 december 1740 werkzaam blijven bij de magistraat van Vlissingen. Nog overtuigender is het Klink-digt van Guépin in Mengelstoffen, waarin hij De Beaufort een leerling van Jungius noemt6 en die was de rector van de Latijnse school. Wanneer Pieter overleed is niet bekend, genealogische bronnen vermelden steevast dat het rond 1752 was. De vriendschap was toen kennelijk al overgegaan, want een lijkdicht van Pieter de Beaufort is niet aangetroffen. Wel is er nog een gedicht uit 1741 in het Frans, gericht aan zijn zus Anna Agatha de Beaufort.7

  1. Deze verzamelband met gedrukte gelegenheidsgedichten is niet online beschikbaar. Download de pdf van KLUIS 1111 F4
  2. In de volgorde van KLUIS 1111 F4:
    1. Het huwelijk van Ryklof Gerbrand van Goens en Dana Barbara Pottey op 8 mei 1753 (2 gedichten);
    2. Het huwelijk van Iacob Dankaarts en Iohanna Adriana Geens op 12 november 1738 (1 gedicht);
    3. Het huwelijk van Nikolaas Lambrechtsen en Maria Kroef op 6 september 1746 (5 gedichten);
    4. Promotie in de beide rechten Anthoni Pieter Lambrechtsen op 29 december 1748 (4 gedichten);
    5. Promotie in de beide rechten Pieter de Beaufort op 2 september 1737 (1 gedicht);
    6. Het huwelijk van Anthoni Pieter Lambrechtsen en Constantia Susanna van Boesschot op 18 juni 1755 (2 gedichten);
    7. Het overlijden van Maria Susanna Thyssen op 6 januari 1738 (3 gedichten);
    8. Het overlijden van Jacoba Catharina van Goethem, geboren De Chuy op 23 oktober 1764 (2 gedichten).
  3. De dissertatie is te downloaden in Books Google.
  4. Zeeuwse bibliotheek te Middelburg, KLUIS Handschrift 3414, Afscheid aan den hr mr Pieter de Beaufort de Duivendijke zullen ter woon vertrekken naar Zzee, 25 mei 1741, 2 folia.
  5. Alle genealogische gegevens zijn te vinden op https://nl.wikipedia.org/wiki/De_Beaufort_(geslacht). De gegevens uit Vlissingen zijn te vinden via ‘Zeeuwen gezocht’ op de website van het Zeeuws Archief. Voor de geboorte van Anna Agatha geven sommige genealogische sites 7 mei 1715, dus een van die twee geboortedata is niet correct.
  6. Zeeuwse Bibliotheek te Middelburg KLUIS Handschrift 2711, Mengelstoffen, ca. 1735-1752, folio 17.
  7. Zeeuwse Bibliotheek te Middelburg KLUIS Handschrift 4036, À mademoiselle A.A. de Beaufort, 4 oktober 1740, 1 folio.

Geplaatst door Jan van Loo op 15 maart 2022

(7) Nieuwe Jaer Wensch

Bron: ZB Middelburg: KLUIS, Hs. 2989

Dit gelegenheidsgedicht op licht spottende toon uit 1734 schrijft Jean Guépin voor zijn vriend Hermanus Jaarsma (Jaersma). Samen bezochten zij de Latijnse school en Jaarsma verlaat nu Vlissingen om theologie te gaan studeren, wat Guépin verdrietig stemt, maar hij vertrouwt erop dat Jaarsma door zijn standvastigheid zijn doel zal bereiken. Jaarsma komt ook voor in een gedicht waar de heren in 1734 met nog twee andere vrienden, Nicolaes Lambrechtsen en Jacobus (Co) Boudrie, een Reis naar Domburg (Hs. 4786) maken. Eveneens interessant is de briefwisseling van een tiental brieven die Guépin en Jaarsma in 1735 uitwisselen in de bundel Brieven in Rijm en Onrijm. (Hs. 2771)

Nieuwe-Jaer Wensch
aen den geleerden Jongeling

HERMANUS JAERSMA

Door

J. G.

Den draed van’t oude Jaer is weder afgesponnen.
Apollo heeft syn loop met t’nieuwe Jaer begonnen:
De tyd, de snelle tyd, vliegt heen gelyk de wind
En rook (dat yder een int aerdsche dal bemind
Is anders niet) myn pligt doet my tot u waerds keeren
om u met wenschen tal, op heden te vereeren.
Ah! was myn wensch & wil op desen dage volbragt:
gy wies van deugt tot deugt, gy ging van kragt tot kragt
Gods gaven, & Syn Geest, de deugt sou op u rusten,
geen ydelheyt in u, geen kindsheyt, aerdsche lusten
En wat iets diergelyks is maer u, groten Geest
sou als een akker syn bebouwt door t geen gy leest:
U gladde tonge sou meer als een degen dringen
in ’t innigste van ’t hert: Ja uwe Eerstelingen.
de bloeysels van u Jeugt selfs bragten vrugten voort;
U welgeslepe spraek een ygelyk bekoord:
maer, O gedachtenis van’t droevig afscheid nemen
int kort van U O maet! gy doet dit digtse swemen.
Eer na een treurdigt dan na eenig vreugdewensch:
Soo volgt de bitterheyt, de soetheyt van den mensch.
Als ik aen u gedenk, voel k’uyt myn oogen leken.
de silte traen, Ja k voel myn angstig herte breken:
O afscheyd van een vrind & van sulk Cammaraedt
k’wensch dat g’op desentyd uyt myn gedagten gaedt
Maer dat ’s ommogelyk: myne vriend wild dan gedogen:
dat ik als int verschiet u met betraende oogen
Ik met een treur gesigt, gy met een bang gemoed,
voor Oogen stil & wy malkaer den laetsten Groet
Den laesten kus, bewys van onse vriendschap: geven:
Ach droevig afscheyd, wiens geheugen my doet beven:
Gaet weg uyt myn gesigt, k’wou dàt g’op desen dag:
in’t donkere moeras van de vergeet vloed lag:
k wend d’Oogen van u af; ah was gy omte kopen:
maer stil het NIEUWE JAER’S tyd dwingt my nog te hopen
kom neemt mijn wenschen aen; ontfangt erdoor myn herte
dies u o weerde maet, met t digt geschonken werd.
k’bedank u voor de les die gy my hebt gegeven:
voor my het is myn pligt om wel er na te leven
& hy die ‘d aerd gebruykt tot voetbank synes voet
en d’hemel tot syn throon gun u t’ bestendig goedt.
Hy wil u met syn geest & met syn liefde loonen
En scheyd gy van de Aerd met Glorypalmenkroonen.
En dus deelagtig aen het eeuwige verbond.
op onsen middelaer syn dierbre bloed gegrond
Wel aen dan weerde maet wil op de laen niet wyken.
Kom stryd den goeden stryd gy sult dog niet beswyken
treed in geleerdheyt voort, & waer dat gy ook gaet
Gedenkt altyds aen my u vrind & waerde maet.

Geplaatst door Jan van Loo op 7 januari 2022.

(6)Embleem de Faam

Belemmering talent

Wie ingelogd is bij het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD) krijgt onder de noemer Jan Guépin de volgende kwalificaties onder ogen: kalligraaf, dichter amateurtekenaar, overigens zonder toevoeging van enig feit. Wij gaan ons concentreren op de laatste kwalificering met bijzondere aandacht voor het ‘vignet’, een begrip dat diverse betekenissen heeft, maar hier zal het gaan om een embleem.

Vanwaar deze aandacht? Frederik Nagtglas (1856-1902) vermeldt in zijn levensbeschrijvingen van bekende Zeeuwen dat Guépin menig vignet schetste voor werken die hij voornemens was uit te geven.1 Hij schrijft dit in 1890 en moet geweten hebben dat er van Guépins werken weinig is uitgegeven en of zijn constatering terecht is, zal nog blijken uit verder onderzoek. Een ‘beter’ bewijs, athans voor één vermeende uitgave, lezen we bij Nicolaas Cornelis Lambrechtsen van Ritthem in 1819.2 Hij is de zoon van Nicolaas Lambrechtsen (1716-1780) die een goede vriend was van Guépin en beschikte wellicht over handschriften en privédocumenten uit de nalatenschap van Guépin.

F. Nagtglas (1856-1902) (Foto KZGW) en N. C. Lambrechtsen van Ritthem (1752-1823)

Guépin zou in 1739 het voornemen gehad hebben enige gedichten uit te geven en had voor die bundel zelf een vignet getekend “verbeeldende de Faam, welke de linkerhand, met een vleugel versierd, naar boven verheft, maar de rechterhand, waarin zij een keten, aan een ijzeren geldkist vastgemaakt, vasthoudt, naar beneden laat hangen.” Het bijbehorende motto luidde: “Ut me pluma levat, sic grave mergit onus” (zoals de veer me verheft, zo slokt de zware last me op).

Helaas is er geen duidelijkheid over de bundel, maar misschien gaat het om de dichtbundel ‘Brieven in rijm en onrijm’ uit 1735.3 Deze bundel handelt over een briefwisseling tussen (de twee aankomende poëten) Guépin en Hermanus Jaarsma. Beide heren koketteren en bewieroken elkaar (op spottende toon?) met hun dichterstalent en -kennis. Als zware last ervaren ze het beklimmen van de Parnas, de berg van de dichters, de muzen en de dichtkunst. Ook in het vignet is talent een centraal gegeven.

De Faam en het devies leiden namelijk naar embleem 121 uit de embleembundel van Andrea Alciati uit 1531.4 Een typisch embleem bestond uit een motto, een afbeelding (pictura) en een onderschrift (subscriptio). Aan de hand van deze drie elementen moest de lezer de bedoeling van het embleem doorgronden. GUépin zal zeker bekend geweest zijn met de werkwijze bij emblemen door de emblemen van Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647) en Jacob Cats (1577-1660) en misschien ook wel met die van Alciati.

Klik op de afbeelding om ook andere emblemen te bekijken.

We zien duidelijk de gevleugelde linkerhand naar boven wijzen en de rechterhand blijft omlaag gericht door een zware steen die aan de hand geketend is. De kern van dit embleem is dat de grootste talenten belemmerd worden door armoede. En Alciati doelt blijkens het onderschrift daarmee op de (geestelijke) armoede die jaloers is op de roem. Guépin tekende echter geen zware steen, maar een ijzeren geldkist. Daardoor krijgt het embleem een satirisch effect. Tegelijkertijd verbeeldt hij mogelijk de werkelijkheid, want misschien zat hij toen al in de geldzorgen. Later in zijn leven was dat zeker het geval. Het kan natuurlijk ook zijn dat hij zich simpelweg in zijn ontwikkeling als dichter gehinderd voelde, omdat hij ook moest werken voor de kost en daardoor dus minder tijd had om te dichten. In het handschrift met de brieven is noch geld noch afgunst aan de orde. Het blijft daardoor onzeker of het vignet voor deze bundel was bedoeld.

1. Nagtglas F., Levensberichten van Zeeuwen, deel 1, Middelburg 1890, 310.

2. [N.C. Lambrechtsen], ‘Hulde aan de nagedachtenis van wijlen Jan Guepin, weleer schepen en raad der stad Vlissingen, en aldaar overleden in den jare 1766’, in: H.W. Tydeman en N.G. van Kampen, Mnemosyne. Mengelingen voor Wetenschappen en fraaije Letteren, VI Stuk, Dordrecht 1819, 200.

3. Zeeuwse Bibliotheek te Middelburg, KLUIS Handschrift 2771, Brieven in rijm en onrijm: door verscheyde aan malkanderen geschreven – Afschriften van brieven.

4. Andrea Alciati, Emblematum liber, Augsburg 1531.

Geplaatst door Jan van Loo op 20 december 2021.

(5) Op de Dood van D’Heer Jan Westerwyk

Jean Guépin is twintig jaar als hij dit gedicht in 1735 schrijft. Mogelijk heeft bij dit gedicht nog een ander behoort, want rechtsboven staat (folio?)nummer 2. Het gedicht zelf is ook bijzonder, want de bezongen lofuitingen raken nog wel aan de werkelijkheid, maar de ware doodsoorzaak blijft in het duister. De lezer moet het doen met de cryptische formulering een felle blixem slaet o westerwyk! u fel ter neder. Wat kan daarmee bedoeld zijn? En wie was die Westerwijk?

Johan Westerwijk werd geboren te Vlissingen als zoon van Quirien Westerwijk en Elisabeth van den Kerckhove, beiden van eenvoudige komaf en getrouwd in 1679. Hij wordt omschreven als een avonturier en vertrok op jonge leeftijd naar Oost-Indië. Rond 1727 keerde hij schatrijk terug en ging weer wonen in Vlissingen. De bouw van een nieuw huis werd voltooid in 1730. Het betreft het zogenaamde Beeldenhuis van de architect Van Baurscheit. Ook de buitenplaats Lammerenburg behoorde tot zijn bezit. Hij was lid van het stadsbestuur, van 1727-1734 bijna doorlopend als schepen en in 1733 werd hij raad. Daarnaast was hij bewindvoerder van de West-Indische Compagnie en reder. Op 11 juli 1735 kwam hij om het leven door zelfdoding. Daarvan blijkt echter niets in het volgende gedicht.

 Op
de Dood van D’Heer 
Jan Westerwyk

Schepe & raad der stad vlissingen, bewindhebber
van de W.I.Comp in Zeelandt etc etc etc
Overleeden den 12 July 1735.
Het noodlot riep u, WESTERWIJK,
Tot uw geluk naer and’re landen:
Ook deed het u hier bly aenlanden
(T’ scheen ons tot nut en voordeel) ryk.

Het heeft de vierschaer u ontsloten;  
    De wetten in uw hand gestelt;  
    Om als een plant int vrugt’bre velt
Ons vlissinge luyster voortepoten.  

Het bleek; gy had dat ook int Oog
Als gy de weeuw & wees voorspreeken,
En stout’lyk dorst t’gewelt verbreken,
Als het zig tegens t’recht bewoog.

De westermaetschappy, verlegen
     om een, die haere kracht bestut’,
     koos u bewintheer om haar nut
t’ handhaven, t’ helpen overweegen.
Wat nu? Gy zyt ten top van Eer;
Gy stigt paleysen, plant uw hoven
Die u een diepe rust beloven:
Nu vergenoegt gy wenscht niets meer.

Gy zult nu stil, aen deese kusten
     Der schat, aen andere vergaert
     De vruchten, aen uw dis & haert
Bly plukken, na uw Sin & Lusten.  

Ja… Maer een felle blixem slaet
o westerwyk! u fel ter neder;
voor eeuwig sonder dat er weder
Verand’ring zy, van stand of staet.

Men sag uw Son int Oosten pryken
Haer middag scheen op ons ten goed’
Maer, sij benam ons aller moed,
Met haer int westen te sien wyken.
O graf! besit vry westerwyk;
O wormen knaegt syn dor gebeente;
Soo slechts, syn Ziel, in de Gemeente
Der zael’gen Juicht in t’ Hemelryk.  

Jan Guepin
CIƆ.IƆ.CCXXXV

Gezicht op het huis Lammerenburg te Koudekerke (Walcheren)

Bron: Zeeuws Archief, Zelandia Illustrata.

Het gedicht en de werkelijkheid

In kort bestek beschrijft Guépin in zijn gedicht de levensloop van Jan Westerwijk. De eerste strofe begint met de antithese Het noodlot riep u (…) Tot uw geluk. Het ‘noodlot’ verwijst daarmee enerzijds naar de verworven rijkdom, maar bereidt de lezer tegelijkertijd voor op iets wat echt noodlottig zal blijken. Eerst wordt echter nog verhaald dat Westerwijk een goed schepen was en een nuttig bewindvoerder. Het hoogtepunt bereikte hij met de bouw van zijn huis en de aanschaf van zijn buitenplaats. Kortom: er bleef niets meer te wensen over dan ervan te genieten. Dan volgt de anticlimax in de vorm van een ‘felle bliksem’ met zijn dood tot gevolg en wordt zijn leven vergeleken met de dagelijkse baan van de zon. En Guépin besluit met: laat de wormen zich maar ontfermen over zijn lichaam, terwijl zijn opgetogen ziel toetreedt tot de hemelse schare.

Wat gebeurde er in het echt? Jan Westerwijk heeft zich van zijn leven beroofd in de tuin van zijn buitenplaats Lammerenburg. Hij leefde min of meer samen met zijn germaine nicht (volle nicht). Het schijnt dat zij graag met hem wilde trouwen, er zelfs op stond, wat leidde tot de nodige ruzies. Op een gegeven moment “kregen ze over het onderwerp weder hooge woorden, zooals reeds meermalen het geval was en in arren moede, woede-uitroepen slakende, liep Westerwijk naar een afgelegen gedeelte van den tuin en joeg zich met een pistool een kogel door het hoofd,” aldus archivaris Groll.

Deze gebeurtenis moest geheim blijven, want een zelfmoordenaar kon niet in gewijde grond begraven worden; ter plaatse zou dat zelfs buitendijks plaatsvinden. Dus de bedienden werden omgekocht en de overledene werd naar Vlissingen getransporteerd en op 15 juli in de kerk begraven. Uiteraard lekte een en ander toch uit en bleek een overeenkomst met de baljuw nodig om de dode te laten waar hij lag. In verband met het gehele voorval en uit kiesheid zal Guépin ervoor gekozen hebben om dit drama te mijden in zijn grafdicht. Of hij Jan Westerwijk persoonlijk heeft gekend is niet bekend.

Bronnen

1. H.G. Groll, ‘Vlissingen in de naaste toekomst zonder Beeldenhuis’, in: Vlissingsche Courant, 2 juli 1930.

2. Inge Maria Breedveld Boer, Tekenen en vasseren : Het bedrijf van Jan Peter van Baurscheit (1699 – 1768) en de architectuur in het tweede kwart van de achttiende eeuw. Utrecht 2003, pp. 79, 142.

Geplaatst door Jan van Loo op 10 november 2021.

(4) Over Jean Guépin

Inleiding

Deze wat vreemde titel is de opening voor de hierna volgende overwegingen. Vreemd omdat uiteraard alles op deze site vanzelfsprekend handelt over Jean Guépin. Het bijzondere en tegelijkertijd prettige vande situatie op dit moment is, dat we aan de opbouw van de site staan en moeten overdenken hoe we die gaan aanpakken. Bij de blogs staan we voor de opgave om telkenmale een ander onderwerp aan te dragen en de digitale uitgave van de dichtwerken kent zo zijn eigen vraagstukken. Deze activiteiten zijn de ingrediënten voor een ontdekkingsreis die zonder twijfel de nodige verrassingen gaat opleveren mede omdat voor vrijwel alles rond het project Jean Guépin nog onderzoek verricht dient te worden. Kortom: veel is nog niet duidelijk, maar de veelzijdigheid van leven en werken van Jean Guépin garandeert een tombola aan mogelijkheden, die als inspiratiebron functioneert.

Webpagina’s en blogs

De vraag is welke pagina’s en subpagina’s zinvol zijn om toe te voegen aan de website met de mogelijkheid dat de getoontde informatie (deels) ook kan terugkeren in een blog. Er zal dus sprake moeten zijn van meerwaarde op de pagina’s.
Zeker één pagina moet gewijd worden aan opvattingen van Guépin, dé manier om hem beter te leren kennen. Het gaat dan om vragen als: Hoe beziet hij zelf zijn dichterschap? Welke meningen leren we kennen via zijn poëzie? Wat vindt hij van collegadichters? Zijn er opvallende godsdienstige opvattingen? Staat hij achter de slavenhandel? Hij was onder andere werkzaam voor en in de magistraat, blijken daaruit specifieke politieke voorkeuren? Verspreidt hij of beantwoordt hij (al) aan verlichtingsideeën enz. enz.

Een pagina die zeker niet mag ontbreken is een pagina waarop de achtergronden van de mensen besproken worden, die figureren in leven en werken van Jean Guépin. Velen werden verblijd met een gelegenheidsgedicht, anderen werden stevig op de hak genomen. Het is goed om te weten wat dat voor mensen waren om langs deze weg een zo duidelijk mogelijk beeld van het netwerk van Guépin te krijgen. Hierop aansluitend zou je een (sub)pagina kunnen maken over brieven. Brieven van, aan en over Jean Guépin. Een aparte categorie wordt daarbij gevormd door brieven op rijm. Niet alle correspondentie heeft trouwens te maken met tijdgenoten, maar vond plaats na zijn dood tot zelfs nog in de negentiende eeuw.

Er zijn zeker voldoende onderwerpen te bedenken voor pagina’s en/of blogs. Bijvoorbeeld over de rederij met aandacht voor o.a. de Middelburgsche Commercie Compagnie, de slavernij, St. Eustatius, zijn vader Jacob Guépin en de bijbehorende geldkwesties. Een andere mogelijkheid is een beschrijving van het toenmalige Vlissingen of de oprichting van verschillende genootschappen, waarbij Guépin betrokken was.

Dichtwerken

Van belang voor de kennis van zijn dichterschap is natuurlijk zijn eigen visie op het schrijven van poëzie. Die wordt behandeld in een artikel over het dichterschap van Jean Guépin, dat in voorbereiding is. Het zal verschijnen in het voorjaarsnummer van de Jacob Campo Weyermanstichting. Dit is een stichting die zich niet uitsluitend bezighoudt met Jacob Campo Weyerman (1677-1747, luis in de pels van de Verlichting), maar ook (met name) met de gehele achttiende eeuw. Een bezoekje aan de site is absoluut de moeite waard.

Stichting Jacob Campo Weyerman

http://www.weyerman.nl/

Centraal in het project staat de digitale uitgave van het complete werk van Jean Guépin, die toegankelijk zal worden gemaakt via de site van het Koninklijk Zeeuws Genootschap der Wetenschappen. Voordat het zover is, zullen er (fragmenten van) gedichten op de website van Jean Guépin aan bod komen. Deze site zal trouwens binnenkort ook geraadpleegd kunnen worden via de site van het KZGW.

Er is een tiental handschriften overgeleverd met lijstjes van gedichtentitels van Guépin. Ook deze zijn van belang. Er staan bijvoorbeeld titels op waarvan nog geen gedicht bekend is en soms zijn er aanvullingen met interessante informatie. Gecombineerd met het verzamelen van alle bibliografische en biografische gegevens die iets melden over Guépin, leveren deze lijstjes een compleet overzicht van de aandacht die (niet) aan Guépin is besteed.

Bij de aandacht voor het dichterschap krijg je verder te maken met de vorming van de dichter, zijn visie op zijn eigen poëzie en het schrijven van gedichten in het algemeen. Andere aspecten zijn de genres die hij beoefende en welke stijl hij bezigde, waarbij bij Guépin de satire opvallend aanwezig is.

Tot slot

Afbeeldingen vormen in de regel een welkome aanvulling of verduidelijking bij een tekst. Van Guépin beschikken we alleen over handschriften, dus afbeeldingen ontlenen we vooral aan mensen en situaties uit zijn omgeving. Gelukkig is er de Zelandia Illustrata waaruit we kunnen putten als het om Zeeuwse beelden gaat.

1043 Tekst op de zuil:

Zelandia Illustrata,
dat is
Het Graafschap van Zeelant
In zijn Steden, Dorpen, der zelver
Gebouwen, kloosters, Adelyke
Huijzen, Sloten, Lusthoeven
afgebeelt in tekeningen en Printen, met
deszelfs wapenkaart, Outheden en Afbeeldsels
verzameld
door
Hendrik Busserus Amstel.

296 Zelandia Illustrata III : historie en leven

NB De originele beschrijving bij deze afbeelding is niet correct.

Het streven is om in elk blog het laatste woord te geven aan Jean Guépin. De navolgende tekst zou rond 1870 opgetekend zijn door H.P. Winkelman:1

30 oktober 1762 bragt Burgemeester Winkelman rapport uit
over het gehouden Collegius qualificatum2 den 27sten te voren
te Zoutelande, over de verschillen tusschen Ds B. Dreszelaar
en zyne gemeente, zynde vruchteloos afgeloopen.
De Hr. J. Guepin teekende opzyn agenda aan:

Weer vruchteloos was onze last
Ons doordenRaad gegeven
Want, Dreszelaar, altoos een Kwast
Is ook een Kwast gebleven.
Dit is het slot van t overleg
De predikant of Kerk moet weg.

Bronnen

Links en urls worden gepresenteerd in een opvallende, lichtblauwe kleur en worden geopend in een nieuw venster.
1. Zeeuws archief, 7112 Handschriftenverzameling Gemeentearchief Vlissingen I, 1477-1927. Inv.nr. 5672. Afschriften van extempores, voor het merendeel van Jan Guépin, 1755-(c. 1775). (c. 1870), ongefolieerd.
2. Het Collegium Qualificatum beriep predikanten en koos de leden van de kerkeraad. Het had ook het recht van schorsing en afzetting van predikanten.

Geplaatst door Jan van Loo op 31 oktober 2021.

(3) De atlas in de DBNL

“In de atlas vind je geografische informatie over de auteurs en werken in de DBNL-collectie, zoals de geboorteplaats van een auteur of het land waarin een bepaalde roman zich afspeelt. De tool omvat vrijwel alle steden en dorpen in Nederland en Vlaanderen, en is voor de rest van de wereld doorzoekbaar op landniveau. Voor Nederland en Vlaanderen zijn zowel hedendaagse als historische kaarten beschikbaar.”1

Misschien is niet iedereen bekend met de werking van de DBNL. De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren presenteert teksten uit de Nederlandse letterkunde, taalkunde en cultuurgeschiedenis. Zij richt zich daarbij op alle eeuwen. Deze digitale collectie is nu uitgebreid met een atlas. Wat houdt deze mededeling in? Ga naar https://dbnl.org/atlas/nevl_standaard.php. Je klikt op Zeeland en dan krijg je: https://dbnl.org/atlas/zl.php?c=0. De plaatsen op de kaart zijn aanklikbaar en onder de kaart kun je eventueel kiezen voor een kaart uit vroeger eeuwen.

Provincie Zeeland

Wat is het voordeel van deze aanvulling in de DBNL? Klik als voorbeeld op de plaats Vlissingen. Je krijgt dan een overzicht van auteurs die in Vlissingen geboren zijn. Eronder een overzicht van auteurs die er gestorven zijn, achtereenvolgens gevolgd door literaire organisaties in Vlissingen, literaire werken in verband met Vlissingen en secundaire literatuur in verband met Vlissingen (taalkunde, letterkunde en non-fictie). Je kunt ook direct naar een gewenste categorie gaan door in een kader rechts op je keuze te klikken. Kortom je hebt alles bij elkaar wat er rondom Vlissingen te vinden is in de collectie van de DBNL. In een woord geweldig handig als je over een bepaalde plaats een onderzoek wilt beginnen.

De rederijkers vallen onder de literaire organisaties en de enige vermelding in Vlissingen is de Blaeu Acoleye. Nadere informatie over dit rederijkersgilde is te vinden in het repertorium, maar er is ook informatie over de leden, zo mogelijk met geboorte- en sterftedatum. Als je op bijvoorbeeld Lambrecht Verbrugge klikt, krijg je vier aanklikbare teksten, alle uit Vlissings redens lust-hof uit 1642. Wil je nog meer weten over hem, dan zijn er twee biografische naslagwerken die je direct de aanwezige informatie over Verbrugge geven. Hetzelfde geldt voor aanwezige teksten. Je ziet dan in een oogopslag wie de auteur is en dat alle informatie komt uit de hiervoor genoemde bundel, behalve de teksten van Jeronimus van der Voort. Bij de secundaire literatuur over dit gilde staan Meertens (1943) en Ter Laan (1952) genoemd, 70 jaar geleden dus!. Het wordt de hoogste tijd voor een nieuwe studie over de rederijkers in Zeeland.

Als auteur uit Vlissingen bekijken we Jean Guépin (1715-1766). We constateren dat er over deze schrijver bedroevend weinig informatie aanwezig is in de DBNL: enkele biografieën die elkaar ongetwijfeld napraten en slechts één bron als secundaire literatuur. Zelfs Meertens bleek deze auteur niet te kennen en dat is merkwaardig in de wetenschap dat Guépin heel wat dichtwerken heeft nagelaten. Betje Wolff brengt het er aanzienlijk beter af. Er is aandacht voor een groot aantal oorspronkelijke publicaties (downloadbaar), teksten in andere boeken, biografieën, een lange lijst met secundaire literatuur, geschreven brieven van en over Betje Wolff en tenslotte worden er twee websites vermeld.

Iedere liefhebber van de Zeeuwse letterkunde moet een en ander maar eens zelf uitproberen aan de hand van de eigen interesses. Wat de rederijkersinformatie betreft, kan de website Rederijkers Zeeland verrijkt worden door de in de DBNL vermelde informatie over te nemen en onder te brengen bij de betreffende plaatsen, als tekst of als een downloadbare pdf. Verder is het plezierig om vast te stellen dat het repertorium van Arjan van Dixhoorn nu beter benaderbaar is geworden in de DBNL. Voor de website Jean Guépin valt er in de DBNL weinig te halen. Voor beide sites gaat trouwens op enig moment het omgekeerde gelden: de DBNL kan daar haar informatie ophalen en de websites als bron vermelden.

Tenslotte zij nog opgemerkt dat lang niet alles wat bekend is, al in de DBNL aanwezig is, maar de atlas in de DBNL is een geweldige toevoeging aan het digitale onderzoeksfront.

Bron

1. Dit citaat is overgenomen van https://neerlandistiek.nl/2021/10/de-atlas/, gepubliceerd op 27 oktober 2021.

Geplaatst door Jan van Loo op 29 oktober 2021.

(2) Jean Guépin en het KZGW

Naamlijst

Hiernaast ziet u de eerste bladzijde uit de ‘Naamlijst der Leden’ van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.1 Het is merkwaardig om als derde naam die van Jean Guépin te lezen. Merkwaardig omdat dit genootschap officieel werd erkend door de Staten Generaal op 23 maart 1769,2 terwijl uit de kolom van overlijden blijkt dat Guépin drie jaar eerder overleden is. Wat is het belang van Jean Guépin dat hij hier postuum vermeld wordt?

Oprichting (K)ZGW

Er zijn notulen uit 1769 bewaard gebleven met een terugblik over het ontstaan van Het Koninklijk Zeeuws Genootschap onder de noemer: “Rapport van de oprigting van t Genootschap door de leden van t Fransche leesgezelschap te Vlissingen.”3 De vermelde leden die eens per maand bijeen kwamen, zijn: de heren Gallandat, Guépin, Mazel, Winkelman, Isaek Hurgronje, Adriaen Isaek Hurgronje, Changuion, Justus Tjeenk. Brahé, Muller, Hageman en Daniel Chandon.4 Op 30 oktober 1765 ging het gezelschap akkoord met een voorstel van Justus Tjeenk en Jan Jacob Brahé om “op te rigten eene maatschappij van kunsten en weeten schappen, en de geleerde van dit en andre geweesten uit te lokken, om gesamentlyk de belangens van het vaderland door de uitbreyding van waerheyd en deugt met kragt en nadruk te bevorderen.” En aldus geschiedde.

Martelkroon voor de Eerste Christenkerk

Op 29 januari 1766 werd aan Guépin en Brahé, als voormalig lid van het niet meer bestaande kunstgenootschap ‘Conamur tenues grandia’5 verzocht bijdragen te leveren ten behoeve van een nog te verschijnen uitgave. Guépin levert op 26 februari 1766 het gedicht Martelkroon voor de Eerste Christenkerk “over welks Inhoud en uit Werking alle de Leeden hun bysonder genoegen betuygen.” Gezien deze omschrijving lijkt het erop dat het gedicht van 55 strofen met elk 10 versregels mogelijk volledig is voorgelezen door Guépin. Men had namelijk de gewoonte om tijdens de maandelijkse bijeenkomsten verhandelingen te houden. Van dit gedicht zijn twee versies overgeleverd.6 Waarop het veronderstelde jaartal 1750 gebaseerd is, is onduidelijk. Wel kan worden aangenomen dat handschrift 4242 de eerste en originele versie is van de Martelkroon. Dit katern van 44 pagina’s staat namelijk vol met doorhalingen, verbeteringen en probeersels. De tweede versie maakt deel uit van een verzamelhandschrift met de titel Mengelstoffen en kent geen verschrijvingen. Ook dit gedicht is geschreven in het handschrift van Guépin. Hoewel er verschillen zijn met de eerste versie zijn veel verbeteringen van de laatste verwerkt in dit afschrift.

Fragment Martelkroon (Hs. 4242) met links de eerste strofe en rechts rijmprobeersels

Inhoud Mengelstoffen

  • Het te Deum laudamus, lofzang van den heiligen Ambrosius en Augustinus uit het Fransch vertaalt (folia 1-4).
  • Lijk-Cijpres voor de Welgebore Vrouwe Maatje Verponte (folia 4-8).
  • Bacchus in Cortgene (folia 9-12).
  • Bruiloft’s lied ter bruilofte van … (folia 13-15)
  • Een berijmde A.B. (folio 16).
  • Klink-digt voor den Heer Pieter de Beaufort de Duvendijke (folio 17).
  • Klink-digt ter gelegentheid van Willem Valenski (folio 18).
  • Lammerenvliet in rouw over ’t overlijden van Adriaan de Vos + Graf-schrift (folia 19-24).
  • Afscheit’s zang aan den heere Theodoor Feltman de Beveren. (folia 25-28).
  • Geboorte-zang voor Jongkvouwe Martha Kornelia Lambrechtzen (folia 29-36).
  • Martel-kroon voor de eerste Christen kerk (folia 37-65).
  • Uitbreidinge over het 5 vers van ’t 9 Hoofddeel van Jesaia (folia 66-68).
  • Op de herbouwde Oost-kerk binnen deze stad (Vlissingen) (folio 68).

Fragmenten Mengelstoffen (Hs. 2711) met links onbekend handschrift en rechts handschrift van Jean Guépin.

De opbouw is tweeledig: het eerste gedeelte, folia 1-36, is overgeschreven door een onbekende afschrijver (afb. links), terwijl de folia 37-68 van de hand van Jean Guépin zijn (afb. rechts). Deze delen zullen aanvankelijk waarschijnlijk separaat in gebruik geweest zijn en vormen thans één katern. Mogelijk is indertijd het gedeelte met Guépins hand door hem ingeleverd bij het Genootschap. De voorgenomen uitgave is echter nooit verschenen.

Vertaling

Een laatste bijdrage aan dit gezelschap levert Guépin in op 26 maart 1766: “Eene uytbreyding der navolging Van Jesus Christus door Thomas a kempis int latyn beschreeven door Corneille in fransche Digtkunst Vervat, en door de Heer Guepin in t Neederduytsch over gebragt en aengebooden.”7 Het overgeleverde handschrift is een katern van 12 folia en het gedicht bestaat uit 311 versregels. Enige maanden later, op 15 juni 1766, komt Jean Guépin te overlijden.

Tot Slot

Dankzij bovenstaande notities is duidelijk dat het belang van Guépin gelegen is in het feit dat hij een van de medeoprichters was van het KZGW. En dankzij de bewaarde notulen zijn we enigszins op de hoogte van waarmee Guépin zich in zijn laatste maanden bezig hield. Uit zijn omvangrijke oeuvre koos hij voor twee religieuze werken uit (vermoedelijk) ca. 1750. Van belang voor ons is voorts de hoeveelheid handschriften van Guépin, waarvan het KZGW de eigenaar is. Interessant is tenslotte wanneer en hoe het Genootschap die in bezit heeft gekregen. Dat is nog onderwerp van onderzoek.

Bronnen

1. Zeeuws Archief Middelburg, 26 Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (KZGW), 1769-1969 (c. 1985), inv.nr. 21, Register houdende namen van de leden, met aantekening van functie of beroep, jaar van benoeming en van bedanken of overlijden over 1768-1930, 1912-1930, folio 1.
2. Dixhoorn, Arjan van, Henk Nellen, Francien Petiet (red.): Een hoger streven. Bouwstenen voor een geschiedenis van het Zeeuws Genootschap, 1769-2019 (Archief 2019), Vlissingen 2019, 11.
3. Zeeuws Archief Middelburg, 26 Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (KZGW), 1769-1969 (c. 1985), inv.nr. 3, Notulen der vergaderingen van directeuren, van algemene vergaderingen en van de vergaderingen van het perpetueel committé, 1769-1853. Afschriften, 1769-1804, folio 4 e.v.
4. Zie voor meer informatie over genoemde genootschappen en hun leden: W.W. Mijnhardt, Tot Heil van ’t Menschdom. Culturele genootschappen in Nederland, 1750-1815. Amsterdam 1988, 127-130.
5. Ibidem 127. Dit genootschap werd door Jean Guépin en Nicolaas Lambrechtsen opgericht in 1753 en bestond in 1766 niet meer.
6. Beide handschriften worden bewaard in de Zeeuwse bibliotheek te Middelburg en zijn online te raadplegen: 4242 Martelkroon – Met 55 gedichten of coupletten, [ca. 1750]. en 2711 Mengelstoffen – Gedichten, [ca. 1735-1752]..
7. 2712 Uitbreidinge der navolginge van J.C. van T a Kempis door Corneille in Fransche dichtkunst – Vertaling door Guépin van een gedicht van P. Corneille naar Thomas â Kempis (Imitatio Christi), [ca. 1750].

Geplaatst door Jan van Loo op 26 september 2021.